Invulling (infill): hoeveel materiaal zit er binnen?

De infill is het inwendige vulpatroon van je print — de honingraat- of rasterstructuur die je niet ziet, maar die het onderdeel gewicht en stevigheid geeft. Meer is niet altijd beter. Wij stellen het percentage voor je in; hier lees je wat de keuze betekent voor sterkte, gewicht en prijs.

Leestijd6 min leestijd
CategorieInstellingen

De invulling (infill) is het inwendige patroon tussen de buitenwanden van je 3D-print, en 15 tot 25% is voor de meeste onderdelen ruim voldoende. Massief printen is zelden nodig. De rest is lucht, en dat is precies de bedoeling — het scheelt materiaal, gewicht, printtijd en dus geld, zonder dat je er in de praktijk sterkte voor inlevert.

Het hardnekkigste misverstand is dat een hoger infillpercentage een onderdeel flink sterker maakt. Dat klopt maar tot op zekere hoogte. De sterkte van een print zit vooral in de buitenwanden (perimeters) en in de printrichting, niet in de vulling daarbinnen. Boven ongeveer 40–50% neemt de sterktewinst sterk af, terwijl gewicht, materiaalverbruik en printtijd blijven stijgen. Vaak levert een extra wand meer op dan tientallen procenten extra infill. Jij hoeft alleen door te geven hoe zwaar het onderdeel belast wordt; wij kiezen dichtheid, patroon en wanddikte daarop.

Wij kiezen het infillpercentage voor je

Geef aan of het onderdeel decoratief, licht functioneel of zwaar belast is; dan stellen wij dichtheid, patroon en aantal wanden in. De richtwaarden hieronder zijn gangbare, indicatieve vuistregels om de afweging te begrijpen — geen instellingen die je zelf hoeft op te geven.

Richtwaarden voor infilldichtheid

Indicatieve percentages per toepassing. Voor de meeste onderdelen ligt de zinvolle bandbreedte tussen 10 en 35%.

0–10% — decoratiefModellen, figuren, visuele prototypes
10–20% — licht functioneelPrototypes zonder zware belasting
20–35% — functioneelHouders, klemmen, gebruiksdelen
35–60% — stijf/belastOnderdelen die veel stijfheid vragen
60–100% — zelden zinvolDuur en zwaar; meestal onnodig
Boven ~50% stijgt vooral het gewicht en de prijs, niet zozeer de bruikbare sterkte.

Wat de infill wél en niet bepaalt

Wat het bepaalt: de stijfheid onder druk, de weerstand tegen indeuken, het gewicht van het onderdeel en (bij holle vormen) het geluid als je erop tikt. Meer infill maakt een onderdeel massiever aanvoelend en beter bestand tegen samendrukken.

Wat het niet oplost: de zwakke hechting tussen de lagen. Trek je een onderdeel in de Z-richting uit elkaar, dan helpt meer infill nauwelijks — die zwakte los je op met een betere oriëntatie of extra wanden. Bij FDM haalt de Z-richting vaak maar 40–75% van de sterkte langs de lagen; infill verandert daar weinig aan.

Meer infill of een extra wand?

Voor een functioneel onderdeel levert een extra buitenwand vaak meer op dan tientallen procenten extra vulling. Een hogere score is gunstiger.

Effect op+ infill+ wanddikte
Sterkte per gram materiaal
Stijfheid onder druk
Weerstand tegen breken/buigen
Beperkt gewicht en prijs

Patronen: dichtheid is niet alles

  • Grid / lines: Snel te printen en prima voor lichte tot gemiddelde belasting. Het standaardpatroon voor de meeste onderdelen.

  • Gyroid: In alle richtingen gelijkmatig sterk en relatief licht; een goede keuze wanneer de belasting uit meerdere kanten komt. Print wat langzamer dan grid.

  • Cubic / honeycomb: Driedimensionaal en stevig, met een gunstige verhouding tussen sterkte en materiaal. Geschikt voor functionele delen.

  • Lightning: Minimaal patroon dat vooral de bovenkant ondersteunt. Snel en zuinig voor decoratieve of weinig belaste onderdelen.

Wat is een perimeter (wand)?

De perimeters zijn de doorlopende buitenwanden van je print. Ze dragen het grootste deel van de sterkte. 3 wanden (~1,2 mm bij een 0,4 mm nozzle) is een gangbare balans; 4–6 wanden (~1,6–2,4 mm) voor zwaarder belaste delen.

En bij SLA?

Infill in de FDM-betekenis speelt bij SLA (resin) nauwelijks. Resinprints worden vaak opzettelijk hol gemaakt met kleine gaten om ongeharde hars te laten weglopen, in plaats van gevuld met een rasterpatroon. Massief printen kan bij grote resinonderdelen zelfs spanning en vervorming geven.

Kies je SLA voor detail en oppervlak, dan bepalen wij de wanddikte en of het onderdeel hol of massief wordt. Ook hier hoef je alleen door te geven hoe stevig het moet zijn.

Top- en bottomlagen: het dak op de infill

De infill hoeft de bovenkant niet volledig te dragen; dat doen de top- en bottomlagen, de dichte boven- en ondervlakken die over de vulling heen worden gelegd. Een lage infill met te weinig toplagen geeft 'pillowing': kleine bobbels of gaatjes waar het materiaal tussen de infill-lijnen doorzakt. Vier tot vijf toplagen sluiten het vlak netjes af, ook bij een lage dichtheid.

Daarom kunnen we vaak met 15–20% infill toe zonder dat je dat aan de buitenkant ziet: de wanden en de dichte deklagen bepalen het uiterlijk en het meeste van de sterkte, terwijl de vulling alleen die deklagen ondersteunt. Verhogen we de infill, dan is dat voor de stijfheid binnenin, niet voor het oppervlak.

Wanneer verhogen wij de infill?

Hogere dichtheid loont bij

  • Onderdelen die veel druk of gewicht dragen
  • Delen die stijf moeten aanvoelen
  • Bevestigingen met schroefdraad of inserts
  • Functionele delen met puntbelasting

Lage dichtheid volstaat bij

  • Decoratieve modellen en figuren
  • Visuele prototypes voor vorm of maat
  • Grote, lichte onderdelen
  • Delen waar gewicht en prijs tellen

Veelgestelde vragen over invulling

Lees verder

Infill hangt samen met sterkte, gewicht en de materiaalkosten.

Hoe zwaar wordt je onderdeel belast?

Upload je model en laat ons de infill kiezen

  • We stemmen dichtheid en wanden af op de belasting
  • Geen onnodig gewicht of prijs
  • Direct de prijs in de tool
Upload je model